Behandelde zaken tijdens de excursie CRvB (april 2016)

Een overzicht van de zaken:

De eerste zaak betrof een hoger beroep tegen de weigering om een werknemer een WW-uitkering toe te kennen. Juridisch was dit een erg interessante zaak, met ook een groot financieel belang. Een werknemer was ziek geworden. Na een jaar bleek dat hij niet meer terug kon keren in zijn eigen functie, en dat er ook geen passend werk binnen de organisatie was. De werknemer was daarop in dienst getreden bij een soort re-integratiebedrijf. De bedoeling was dat zij hem een jaar in dienst zouden nemen tegen zijn oude salaris, en hem in de tussentijd zouden begeleiden naar een andere baan. Maar toen kwam het probleem: na twaalf maanden liep zijn contract af, maar was er alleen een baan voor een beperkt aantal uren per week gevonden. Het UWV weigerde echter een WW uitkering te verstrekken, omdat er in de ogen van het UWV geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen het re-integratiebedrijf en de werknemer. Gevolg: hij was niet verzekerd voor de WW.

De eerste interessante vraag die ter zitting naar voren kwam, was de vraag van de werkgever om als belanghebbende gehoord te worden. De advocaat van de werkgever hield een uitgebreid pleidooi (noot voor ons als studenten: een pleidooi monotoon voorlezen van papier is slaapverwekkend) om de Raad er van te overtuigen dit toe te laten, ondanks dat art. 126 WW dit expliciet uitsluit. Het belang voor de werkgever was groot, omdat deze door de werknemer aansprakelijk is gesteld voor de schade die hij lijdt door de weigering van de WW uitkering. Het UWV maakte hiertegen bezwaar. Na kort beraad kwam de Raad tot te conclusie dat het verzoek afgewezen werd. De wetsgeschiedenis en jurisprudentie rond art. 126 WW lieten, anders dan de werkgever vond, geen ruimte om toch als belanghebbende gehoord te worden.

De raadsheren bleken echter creatief en bedachten samen met de advocaten een constructie waarbij de directeur van de werkgever als informant van de werknemer werd gehoord. Zo konden zij toch alle vragen stellen over de dienstbetrekking. De advocate mocht niet pleiten voor de werkgever. Als informant had de directeur echter wel weer recht op bijstand van een advocaat, en dus mocht zijn advocate blijven zitten hem af en toe wat influisteren. Zie daar een lesje creatief procesrecht!

Het vervolg ging vooral over de feitelijke gang van zaken tijdens de “dienstbetrekking” bij het re-integratiebedrijf. Daarbij bleef bij meerdere leden een wat dubbel gevoel hangen. De werknemer wilde graag aan het werk, en daarvoor alles aanpakken. De werkgever wilde hem graag aan het werk helpen. De vraag of er bij de werkgever nu sprake was van onkunde en onwetendheid, of dat het een kwestie was van goud geld verdienen over de rug van een kwetsbare werknemer bleef in het midden, maar de schijn had hij toch wel tegen zich.

 

De tweede zaak liet zien dat het bij de Raad soms ook om kleine zaken gaat. Een WW-gerechtigde had werkzaamheden verricht en deze niet gemeld bij het UWV. UWV vorderde de ten onrechte uitgekeerde uitkering terug, en legde een boete op. De vraag lag voor of het nu om 65 of 52 gewerkte uren ging. Op de gang bleek al dat er overeenstemming was bereikt tussen partijen over het verlagen van de boete naar € 10, omdat de man in kwestie geen betalingcapaciteit had. De voorzitter wees er fijntjes op dat de rechtsgrond waarop UWV die € 10 baseerde nergens op sloeg, dat de Raad dat ook al eerder aan het UWV had laten weten en dat UWV de boete dan maar beter helemaal kon schrappen. Uiteindelijk kwam het op de zitting tot een schikking: UWV gaat uit van 52 uren en verlaagd de boete naar € 0.

 

In de derde zaak stond de rechtsvraag centraal wanneer een vordering tot verrekening van inkomsten met de uitkering verjaart. Een vrouw had in 2007 een WW uitkering gehad en in die periode, met toestemming van UWV, werkzaamheden verricht als zelfstandige. De WW uitkering was als voorschot uitbetaald. Het UWV heeft pas eind 2013 de inkomensgegevens over 2007 bij de Belastingdienst opgevraagd, waarmee UWV naar mening van de vrouw te laat was. De eisende partij was helaas niet verschenen, waardoor de zitting snel afgelopen was, en de zaak ook niet echt uitgediept kon worden.

 

In de laatste zaak was er sprake van een ontdekte hennepplantage. De bewoonster had een WAO uitkering. Het UWV heeft, op basis van een politierapport, aangenomen dat de bewoonster één oogst moet hebben gehad, en daaruit inkomsten heeft gehad. Daarom werd de uitkering over een aantal maanden met terugwerkende kracht verlaagd en het teveel betaalde bedrag teruggevorderd, vermeerderd met een boete. Saillant detail was dat de Officier van Justitie in de strafzaak uiteindelijk de ontnemingsvordering, gebaseerd op hetzelfde politierapport, op € 0 heeft moeten stellen, en vervolgens niet-ontvankelijk is verklaard.

De vraag die nu voor lag was of de bewoonster daadwerkelijk heeft kunnen oogsten, en vooral, bij wie de bewijslast daarvoor ligt. Het OM houdt een kweekcyclus van 10 weken aan in een plantage. Tussen het moment waarop de vrouw in het huis is gaan wonen en het ontdekken van de plantage zaten echter maar ongeveer 13 weken.

Het UWV betoogde, en werd daarin in eerste aanleg gesteund door de rechtbank, dat zij af mochten gaan op het politierapport, en dat het aan de vrouw is om met overtuigend bewijs te komen dat zij geen inkomsten heeft gehad. Ook nu was de Raad weer kritisch: het UWV legt ook een boete op. Dat is een strafmaatregel, en dan ligt de bewijslast in ieder geval wél bij UWV. Het UWV volhardde dat zij voldoende bewijs hadden geleverd.

 

De uitspraken worden gedaan op 1 juni 2016 en zijn dan te vinden op www.rechtspraak.nl

 

%d bloggers liken dit: